20 nov. 2005

Oogpijn


Oogpijn

Welke hoorn wordt dan door dit vlies beschermd
En wie heeft het daar aangebracht, zó dat
Ik pijn belichaam als een krasje -wat
Een genante kleinheid- opspeelt en kermt

Mijn ooglid, dat niet los mag van de man
In het wit die weer zijn scherpste messen
Schurend op de bol zet, niet te lessen
Moordende schraapzucht: Snijd!, IJzeren Man!

De nacht is een maar halfverlichte grot
Jij ligt slapend naast mij, ik doe een bod
Op je elleboog, je hand, je wenkbrauw,

Leen mij je gezicht van een mooie vrouw
Ik vergeef je mijn wond, vereer je trouw
En ik surf juichend op de wimper van God


Iets voor u, Mr. Colorii, ter verluchtiging en tegelijkertijd versteviging?!

Koning Eenoog ziet alles, altijd de uwe,

Gijsen.