29 mrt. 2006

Lente

De lente kwam maar niet, alleen oud geluid
Zoemde zwaar onze verstopte oren dicht.
Wij hospitaliseerden in het gesticht
Van de winterkou en kauwden op rauw kruid.

Vroeger waren er ijsbloemen op de ruit
Van ons slaapkamerraam en je tong plakte
Stroperig op de witte, glazen vlakte.
Vroeger stokte de kilte juist voor je huid.

Als de zon dan toch nog warmte gaat spreiden,
Zijn wij ongelovig en dwars, agnosten
Voor de hemelpoort, betalen de kosten

Voor de scepsis die wij blijven belijden.
Vroeger stond de lente gulzig te posten,
Wachtend op ons: wij waren te benijden.



C. Gijsen

25 mrt. 2006

Troost de zoetheid

Actueel
(Voor Dèr Mouw, La Patria en Oom Tom)


De Italianen noemen ons nazi's,
Maar ik ben verkouden en heb (vogel?)griep.
Eenzame ouderen en, oh hoe onkies!,
Baby'tjes wachten murw op de Scharensliep

Der witgejaste Mengelebrigade,
Terwijl ik krachteloos snotter, hoest en proest.
Mannen met bivakmutsen, men moet raden
Naar het bedekte gezicht dat moorden moest,

Leggen wapens neer in goedertierenheid
En mijn lamme hoofd loopt vol met pijn en snot.
Denk toch eens aan ons Marietje, die zo lijdt
Onder de geilheid van de Jantjes, die zot

Van heimwee en hormonen vergeten wat
Moeders hen hebben geleerd: gelegenheid
Maakt de verkrachter! Ach, wee, wat kan mij dat
Nu schelen: hoe raak ik dat slijm snel weer kwijt?!

Wil iemand na mij de krant zachtjes dichtdoen,
Misschien troost de zoetheid van een negerzoen....


Uw verslaggever,
C. Gijsen